Juli en augustus zijn goede maanden om libellen te bekijken en bewonderen. De kleine slanke juffers en de grotere, échte libellen genaamd. De Engelse naam voor die grote is treffend: dragonflies. 300 miljoen jaar geleden leefden er al libellen op aarde. Daar zaten monsters tussen van 75 centimeter van vleugelpunt tot vleugelpunt, met recht draken genoemd. Die joekels bestaan niet meer, maar exemplaren van drie tot acht centimeter zijn er volop, dus kennelijk is het nog steeds een succesvol design.

Behalve in twee maten zijn er libellen in alle kleuren van de regenboog: partners herkennen elkaar aan de patronen. In Diemen leven zo’n twintig soorten, aangeduid met tot de verbeelding sprekende namen als watersnuffel, paardenbijter en glassnijder. Ze zijn net zo mooi als hun naam doet vermoeden, vooral als je de kop van dichtbij bekijkt. Als eerste vallen de grote ogen op, die uit tien- tot vijftigduizend deeloogjes bestaan en vaak felle kleuren hebben. Ze kunnen uitmuntend zien: dichtbij en ver weg, 360 graden rondom. Die superogen hebben ze nodig om te jagen, het zijn enorme rovers die zich voeden met muggen, vliegen, vlinders en zelfs soortgenoten. Met forse kaken kauwen ze die prooien fijn. Maar ons bijten, dat kunnen ze niet. En steken ook niet trouwens.

Een libel is iets heel anders dan een vlinder. Eén verschil is dat ze vlees eten: vlinders leven van plantensappen, vooral nectar van bloemen. Een ander verschil is de manier van vliegen. Bij een vlinder bewegen voor- en achtervleugels gezamenlijk, terwijl een libel zijn vier vleugels los van elkaar kan bewegen. Hierdoor is hij een echte luchtacrobaat. Moeiteloos hangt hij als een helikopter stil in de lucht, vliegt recht omhoog en zelfs achteruit! Maar ook kan hij het hardst van alle insecten: tot wel 50 km per uur.

Een larve of onvolwassen libel heeft nog geen vleugels. Hij leeft onderwater! Verder lijkt zijn lijf wel al op een libel en ook rooft hij voor de kost. Gulzig voedt hij zich met waterdiertjes, dikkopjes en kleine visjes. Omgekeerd moet hij oppassen dat hij niet opgegeten wordt door een kikker of vis. Om volwassen te worden vervelt hij meerdere malen: de metamorfose. Sommige larven blijven een paar maanden onder water, andere vijf jaar. Voor de laatste vervelling kruipen ze het water uit, uren zitten ze op een stengel in de zon: de vleugels moeten droog zijn om te kunnen vliegen.

Dat uitsluipen, zoals die laatste vervelling heet, gebeurt bij veel libellen in de zomer, waardoor ze nu vol op zijn te zien, vooral in de buurt van water. Kijk bijvoorbeeld boven de sloten in de Diemerpolder of bij de plas in het Diemerbos. Ook tussen de bebouwing zijn libellen te zien: kijk eens in het water achter het Diemerplein, langs het spoor, in de Venserwetering of tussen het riet in de Bovenrijkersloot.

Van de week in Diemen gezien (klik op de naam voor een oogstrelende foto):